Ondertoezichtstelling en Uithuisplaatsing
De ondertoezichtstelling (OTS)
De wetgever geeft in art. 1:254 BW de grond voor een OTS: indien een kind zodanig opgroeit, dat zijn/haar zedelijke- of geestelijke belangen of zijn/haar gezondheid ernstig wordt bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
De kinderrechter spreekt een OTS meestal uit op verzoek van de Raad voor de kinderbescherming. Ook een ouder, een pleegouder of het openbaar ministerie (OM) zijn bevoegd een verzoek tot OTS in te dienen
Nadat de kinderrechter de OTS heeft uitgesproken, wordt de uitvoering daarvan opgedragen aan een gezinsvoogdij-instelling (meestal Bureau Jeugdzorg, hierna: BJZ). BJZ houdt toezicht op het kind en zorgt voor hulp en steun aan het kind en de ouders. Dit om de bedreiging, waarvoor de OTS werd uitgesproken, weg te nemen. De hulp en steun richt zich niet alleen op het kind, maar bijvoorbeeld ook op het vergroten van de mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden. Dit impliceert dat BJZ uithuisplaatsing (UHP) zo veel mogelijk moet voorkomen en dat moet worden gezocht naar alternatieven die het gezinsverband in stand kunnen houden.
Bij oudere kinderen kan de hulp en steun in meerdere mate worden gericht op vergroting van zelfstandigheid van het kind. Wel moet BJZ steeds proberen de band tussen ouder en kind te bevorderen (art. 1:257BW).
Een OTS is een gezagsbeperkende maatregel. U als ouder houdt het gezag over uw kind, maar het gezag wordt wel beperkt. Ter uitvoering van haar taak kan BJZ schriftelijk aanwijzingen geven over de verzorging en opvoeding. Deze aanwijzingen moeten worden opgevolgd (art. 1:258 BW). Het in ernstige mate veronachtzamen van deze aanwijzingen door de ouder is een grond voor ontzetting van het gezag (art. 1:269 BW). Tegen de aanwijzing kan bij de kinderrechter bezwaar worden gemaakt. Ook kan verzocht worden de aanwijzing vervallen te verklaren. Tenslotte kan BJZ worden verzocht de aanwijzing geheel of gedeeltelijk in te trekken, bijvoorbeeld op grond van gewijzigde omstandigheden. Wordt uw verzoek door BJZ niet gehonoreerd, dan kunt u de kinderrechter verzoeken de beslissing vervallen te verklaren (artt. 1: 259 en 260 BW).
De duur van de OTS is maximaal 1 jaar. De kinderrechter kan onder andere op verzoek van BJZ, de (pleeg-) ouder(s) of de Raad voor de kinderbescherming de duur telkens voor ten hoogste 1 jaar verlengen (art. 1: 256 BW).
De OTS stopt als na het verlopen van de periode waarvoor de OTS is uitgesproken, geen maatregel meer nodig is. Als BJZ van oordeel is dat geen verlenging van de OTS noodzakelijk is, brengt zij hiervan de Raad voor de kinderbescherming op de hoogte. Ook tussentijds kan de kinderrechter, op verzoek van BJZ, de ouder of een kind van 12 jaar of ouder, de OTS opheffen als hij van mening is dat het kind niet meer in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De OTS vervalt automatisch als het kind 18 jaar wordt.
Voorlopige ondertoezichtstelling
Indien een verzoek tot OTS is gedaan, kan de kinderrechter hangende het onderzoek het kind voorlopig onder toezicht stellen, indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Dit kan de kinderrechter zelf doen (ambtshalve) hetzij op verzoek van degene die het verzoek tot OTS heeft ingediend. Een voorlopige OTS kan ten hoogste 3 maanden duren. Als binnen die termijn niet is beslist omtrent de eigenlijke OTS vervalt de voorlopige OTS. De kinderrechter kan zijn beslissing te allen tijde herroepen (art. 1: 255 BW).
Machtiging uithuisplaatsing (UHP)
Uitgangspunt bij OTS is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind zoveel mogelijk behouden. De hulp van BJZ is hierop gericht. Indien het echter in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, noodzakelijk is dat het kind niet langer thuis woont, kan de kinderrechter BJZ op haar verzoek machtigen het kind gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen (art. 1:261 BW). BJZ dient in het verzoekschrift aan te geven waarom UHP noodzakelijk is en in welke voorziening het kind wordt geplaatst.
Voor iedere UHP heeft BJZ een machtiging van de kinderrechter nodig, ook ingeval de met het gezag belaste ouder met de UHP instemt. Het verlenen van terugwerkende kracht aan een beschikking waarin de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, behoort niet tot de mogelijkheden.
De duur van de machtiging tot UHP is maximaal 1 jaar, en zoveel eerder als de OTS eindigt. De duur van de machtiging kan wel korter zijn dan de OTS. De duur van de machtiging UHP begint op het moment van de uitspraak en niet op het moment van effectuering. De kinderrechter kan bepalen dat de duur van de machtiging op een later moment begint.
De duur van de machtiging kan op verzoek van BJZ of de Raad voor de kinderbescherming, telkens met 1 jaar worden verlengd door de kinderrechter. Een machtiging vervalt, indien deze gedurende 3 maanden niet ten uitvoer is gelegd (art. 1:262 BW).
Indicatiebesluit
Op grond van de Wet op de jeugdzorg moet BJZ een indicatiebesluit nemen. Hierin staat:
• wat de (dreigende) problemen zijn;
• op welke zorg u recht hebt;
• wat het doel van de zorg is;
• wie de zorg moet geven;
• hoelang de zorg moet duren;
• of er behoefte is aan een gezinscoach die de zorg coördineert.
Het indicatiebesluit geeft u dus recht op zorg.
In het besluit staat voor welke datum dat moet gebeuren. Na deze datum vervalt het recht op zorg. De aanspraak op deze zorg vervalt ook als BJZ besluit dat u geen zorg meer nodig hebt.
Bent u het niet eens met het indicatiebesluit of met het besluit van BJZ dat er niet langer zorg nodig is? Dan kunt u bezwaar aantekenen. Krijgt u ondanks uw bezwaar geen gelijk, dan kunt u in beroep gaan bij de kinderrechter. Neem contact op met ons kantoor zodat wij u in deze procedure kunnen bijstaan.
Het procesrecht
Procedures met betrekking tot de OTS en UHP zijn verzoekschriftprocedures (artt. 429a t/m 429t en artt. 798 t/m 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
De rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van het kind is bevoegd (art. 429c lid 4 Rv). De minderjarige volgt de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent (art. 1:12 lid 1 BW). Dit is meestal de woonplaats waar de met gezag belaste ouder(s) is/zijn ingeschreven. Deze woonplaats verandert niet door het enkele feit dat de minderjarige uit huis is geplaatst.
Iedere belanghebbende (degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft, art. 798 lid 1 Rv) krijgt van de rechtbank een afschrift van het verzoekschrift en van de daarbij behorende bescheiden toegezonden. Zij worden ook opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De rechter beoordeelt wie belanghebbenden zijn. Bij een OTS zijn in ieder geval het kind en zijn juridische ouders belanghebbende.
Wanneer een verzoekschrift bij de rechter wordt ingediend, worden daarbij ook de stukken overgelegd die dienen tot “bewijs van het gestelde” (art. 799 lid 2 Rv). Zo zal bijvoorbeeld bij het indienen van een verzoek tot verlenging van de OTS het hulpverleningsplan moeten worden bijgevoegd (art. 1:265 lid 2 BW), alsmede een afschrift van de laatste OTS-beschikking. De belanghebbenden ontvangen van de rechtbank een kopie hiervan.
Voordat de kinderrechter beslist, moet hij de minderjarige en zijn ouders in de gelegenheid stellen te worden gehoord (artt. 800 jo 809 Rv). De rechter kan echter zowel een verzoek tot voorlopige OTS als een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot UHP -al dan niet gedaan in het kader van een voorlopige OTS- toewijzen zonder eerst de minderjarige, zijn ouders en andere belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld om hun mening kenbaar te maken (art. 800 3e lid en 809 3e lid Rv). U moet daarbij denken aan een zodanig ernstige situatie, dat de mondelinge behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind. Wel moeten in dat geval de belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun mening kenbaar te maken, anders vervalt de beschikking (art. 800 3e lid Rv).
Bijstand advocaat
U kunt zich tijdens de mondelinge behandeling van een (verlengings)verzoek tot OTS en/of UHP laten bijstaan door een advocaat. Afhankelijk van uw inkomen en vermogen, kan voor deze zaken een toevoeging worden verleend, zodat de kosten voor u beperkt blijven.
Demmer & Kemp advocaten adviseert u altijd een advocaat in te schakelen. De praktijk wijst uit, dat er in de overgelegde stukken (rapporten Raad voor de kinderbescherming, Hulpverleningsplannen etc.) nog wel eens onwaarheden staan. Ook worden bepaalde situaties niet in de juiste context geplaatst of niet voldoende genuanceerd. Uw advocaat kan de rechter hierop wijzen. Vaak lukt het uw advocaat de rechter aan haar zijde te krijgen.
Hoger beroep
Tegen de volgende beschikkingen van de kinderrechter staat hoger beroep open:
• maatregel van OTS (art. 1:254 1e lid BW);
• verlenging OTS (art. 1:256 BW);
• machtiging UHP (art. 1:261 BW);
• verlenging machtiging UHP (artt. 1:262 en 263BW).
Artikel 807 Rv. geeft een opsomming van de gevallen waarin tegen de beschikking geen hoger beroep openstaat. Het betreft -voor zover hier van belang- de volgende beschikkingen:
• de vervanging van een gezinsvoogdij-instelling (art. 1:254 lid 4 BW);
• de voorlopige OTS (art. 1:255 BW);
• beslissingen tot vervallenverklaring of intrekking van een aanwijzing van BJZ (artt. 1:259 en 260 BW).
Tegen deze beslissingen is wel cassatie in het belang der wet mogelijk. Dit is een aparte vorm van cassatie, die niet door partijen maar alleen door een Procureur-Generaal ingesteld kan worden, en die alleen bedoeld is om onduidelijke rechtsvragen opgehelderd te krijgen. Cassatie in het belang der wet verandert niets aan de rechten en de positie van partijen.
Voor meer informatie kunt u terecht op de site van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de kinderbescherming.
Kemp advocaten